Wietpas leidt tot onderscheid niet tot discriminatie

23 mei 2012 - mr Margriet Maris, jurist bij RADAR 

 

In het zuiden van Nederland werd onlangs de wietpas geïntroduceerd. Ingezetenen van een gemeente moeten deze pas aanschaffen om toegang te krijgen tot een koffieshop. De achtergrond van deze regeling is om toeloop tot koffieshops vanuit het buitenland en daarmee samenhangende overlast tegen te gaan.

Begin mei beriep een aantal door koffieshops geweigerde klanten zich op discriminatie en meldde zich bij de politie. De politie en het openbaar ministerie lieten hierop weten dat er geen sprake is van discriminatie.

 

Waarom is dat nou zo?

 

De wetsartikelen 137g Sr en 429quater Sr verbieden het discrimineren van personen wegens hun ras, huidskleur, of etnische of nationale afstamming. Bij de invoer van de wietpas wordt weliswaar onderscheid gemaakt, maar niet op basis van een van de gronden genoemd in de wetsartikelen die over discriminatie gaan. Het onderscheid wordt gemaakt op basis van het ingezetenencriterium en het besloten clubcriterium.

 

Ingezetenen

 

Het ingezetenencriterium houdt in dat de coffeeshop uitsluitend toegankelijk is voor een ingezetene van Nederland, wat inhoudt dat iemand ingeschreven moet staan op een adres in Nederland. Dit criterium valt dus niet binnen de gronden als bedoeld in de discriminatieartikelen.

 

Niet-ingezetenen

 

Dit onderscheid heeft wel tot gevolg dat personen die niet bij een Nederlandse gemeente zijn ingeschreven hierdoor geraakt worden. Dit betreft dan niet-Nederlandse ingezetenen.

 

Op basis van internationale verdragen is expliciet vastgelegd dat onderscheid op grond van nationaliteit of verblijfsstatus niet valt onder 'ras' en dus niet onder de wetsartikelen 137g en 429 quater Sr. De overheid mag een dergelijk onderscheid maken.

 

Wel of geen discriminatie

 

Antidiscriminatiebureaus (ADB’s) worden regelmatig geconfronteerd met klachten van mensen die vermoeden dat zij gediscrimineerd worden. In voorkomende gevallen is er wel sprake is van onderscheid, maar geen sprake van een vorm van discriminatie.

 

Strafrecht

 

De wetgever heeft een aantal gronden aangegeven waarop sprake is van ongeoorloofd onderscheid oftewel discriminatie. Dat zijn in het strafrecht achtereenvolgens ras/afkomst, geloofs/levensovertuiging, sekse, homo- of heteroseksuele gerichtheid en lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap.

 

Civiel recht

 

De gelijkebehandelingswetgeving waarop burgers in civiele zaken een beroep kunnen doen, is uitgebreider. Deze wetgeving beoordeelt onderscheid op de gronden geslacht, ras, nationaliteit, godsdienst, levensovertuiging, politieke overtuiging, seksuele gerichtheid, burgerlijke staat, arbeidsduur (voltijd of deeltijd), vast of tijdelijk arbeidscontract, handicap of chronische ziekte, leeftijd als ongeoorloofd onderscheid oftewel discriminatie.

 

Juridisch

 

Nu is dat uiteraard de juridische kant. De algemene definitie van discriminatie is veel breder en gaat uit van het criterium dat geen onderscheid gemaakt mag worden op basis van factoren die in het gegeven geval niet aanvaardbaar zijn. Ook art. 1 van de Grondwet geeft aan dat allen die zich in Nederland bevinden in gelijke gevallen gelijk behandeld worden. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook is niet toegestaan.

 

In overleg

 

Antidiscriminatiebureaus zijn bij de aanpak van klachten en advisering aan klachtindieners wel gericht op de juridische mogelijkheden. Niet dat deze middelen altijd worden ingezet, maar ze fungeren natuurlijk wel als leidraad voor wat wel en niet is toegestaan. Zo worden werkgevers, horeca-exploitanten, huiseigenaren en anderen gewezen op hun wettelijke plichten of overtredingen van de wet. In de meeste gevallen zijn de aangesprokenen wel bereid te luisteren en zorgt overleg voor een oplossing.

  • Zoeken

Naar boven