Polariseren is niet zonder risico

Polariseren is niet zonder risico: geweld tegen moslims is toegenomen - Volksvertegenwoordiger mag niet boven de wet staan

 

6 oktober 2011 door Cyriel Triesscheijn

 

De macht en de waarde van het vrije woord zijn immens. Beknotting van de pers is daarom meestal de eerste daad van een dictator na een machtsgreep. Maar geen enkel recht is onbeperkt. En uitgerekend het Grondwetartikel over de vrije meningsuiting bevat ook de bepaling 'behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de Wet.'

 

In Nederland kunnen politici meer dan anderen hun mond open trekken. In artikel 71 van de Grondwet is immers de parlementaire onschendbaarheidgeregeld: een lid van het parlement kan niet strafrechtelijk worden vervolgd voor hetgeen hij/zij in de vergadering van het parlement zegt.

 

Het artikel stamt uit de tijd dat parlementariërs bescherming behoefden tegen de Koning.

Is een dergelijk voorrecht nog van deze tijd en noodzakelijk? De mediacratie en digitalisering van de samenleving hebben de grenzen tussen wat in en buiten het parlement gebeurt compleet vervaagd.

Politici zijn sowieso in het voordeel ten opzichte van burgers omdat zij veel meer toegang hebben tot media. Daarbij is de 'publicitus'opgestaan: volgens de Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling een politicus die zijn uitlatingen calculeert op media-impact; het hoeft niet uitvoerbaar te zijn, als het maar de krant of het achtuurjournaal haalt.

 

In het huidige maatschappelijke klimaat wordt steeds meer gepolariseerd en gestigmatiseerd. Dat is niet zonder risico, vooral als de gestigmatiseerde groep toch al in een benarde positie verkeert. In 2008 zagen we dat racistisch geweld als geheel daalde, maar dat geweld gericht tegen moslims toenam. Tegelijkertijd zag je in opiniepeilingen de houding ten opzichte van islam negatiever worden en was het aantal islamofobe uitlatingen op internet groter dan het aantal antisemitische.

 

Wat bewerkstellig je dan als politicus als je een dergelijke groep stelselmatig op de korrel neemt? Dergelijke verbale roekeloosheid staat op gespannen voet met voorbeeldgedrag dat je van politici mag verwachten.

 

Niemand anders dan Anders Breivik is verantwoordelijk voor de aanslagen in Noorwegen. Maar net zoals het nuttig is om na te gaan hoe jihadistisch terrorisme ontstaat, is het zinvol uit te zoeken hoe Breivikachtigen tot hun daden komen. In welke omstandigheden voegen mensen die ideologisch de weg kwijt zijn de daad bij het woord?

 

Politici moeten, net als iedereen, in vrijheid het woord kunnen voeren en niet zwichten voor geweldsdreiging of de angst om beticht te worden van het aanzetten tot geweld. Maar meer dan anderen zijn zij prominente decorbouwers van het maatschappelijk klimaat waarin dit soort gewelddadige uitwassen kunnen ontstaan en raakt dat vraagstuk hun positie.

Juist bij een politiek privilege als de parlementaire onschendbaarheid horen verantwoordelijkheid en zorgvuldigheid. Wie weet dat zijn woorden worden gemegafoneerd, moet z'n uitlatingen zorgvuldig wegen. 'Ik zeg wat ik denk' betekent immers niet dat je niet meer hoeft na te denken over de effecten van wat je zegt.

 

De lat ligt voor politici hoger dan voor gewone burgers bij belangenverstrengeling, rijden onder invloed, jokken, stelen, cv opleuken en buitenechtelijke affaires. Het is curieus dat dit niet geldt voor politieke retoriek, terwijl praten toch de kern vormt van de handelswaar van een politicus. Hoe geloofwaardig zijn volksvertegenwoordigers als ze niet zorg dragen voor een onberispelijke staat van dienst in eigen huis?

 

Sommigen ontlenen aan de parlementaire onschendbaarheid een 'vrijbrief tot stigmatisering'. Dat leidt tot maatschappelijke rancune bij burgers met minder toegang tot de media. Wanneer die zich dan ook niet door de overheid beschermd of gehoord voelen bij uitsluiting, keren zij zich af van de samenleving, sluiten zich op in een eigen groep en zijn niet meer beschikbaar voor de oplossing van weerbarstige maatschappelijke problemen. Die constatering is niet nieuw. In 2005 bepleitte onze huidige minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties al een voorziening waar mensen die zich gekwetst voelen terecht kunnen, zonder meteen een rechtszaak te moeten beginnen. Die instelling is er nooit gekomen. Ook daarom zou het goed zijn als de volksvertegenwoordiging zich niet langer boven de wet stelt die voor burgers geldt en zelf het achterhaalde privilege van de parlementaire onschendbaarheid opgeeft.

  • Zoeken

Naar boven