Als grondrechten botsen

Als grondrechten botsen:

De vrijheid van meningsuiting en het discriminatieverbod

  

In het maatschappelijke en politieke debat zijn de afgelopen jaren heel wat taboes geslecht. Zo is het niet langer not done om kritiek te uiten op de multiculturele samenleving. Er wordt nu met enige regelmaat in het openbaar scherpe kritiek geuit op culturele en religieuze tradities en gebruiken.

Bij het aan de kaak stellen van deze tradities en gebruiken beroept de boodschapper zich op de vrijheid van meningsuiting. De groep die bekritiseerd wordt, voelt zich hierdoor echter soms wel gestigmatiseerd, beledigd of gediscrimineerd. Een beroep op het recht niet gediscrimineerd te worden kan hen dan mogelijk bescherming bieden.

 

Mensen die vinden dat het recht van vrije meningsuiting botst met het recht op non-discriminatie, kunnen hiervan aangifte doen en justitie vragen dit ter toetsing voor te leggen aan de rechter.

Of iemand uiteindelijk wordt veroordeeld door de rechter, is niet een op voorhand uitgemaakte zaak. De vrijheid van meningsuiting mag niet misbruikt worden voor politieke ideeën die aanzetten tot discriminatie of haatzaaien. De rechter zal bekijken wat de mate van emancipatie van de groep is. En wat de betekenis daarvan is voor de (bescherming van hun ) kwetsbaarheid.

Wat al dan niet wordt toegestaan is sterk afhankelijk van de context. Het maakt dus uit wie de boodschapper is, in welke hoedanigheid is gesproken, waar de boodschap wordt geuit en in welke vorm. Het tijdsgewricht maakt eveneens verschil; uitspraken die tien jaar geleden wellicht discriminatoir bevonden werden, zijn intussen gemeengoed geworden.

 

1. Hoe luiden de grondrechten precies en waarin zijn ze vastgelegd?

2. Op welke juridische mogelijkheden kun je je beroepen?

3. De context bepaalt het oordeel van de rechter; het is nooit een op voorhand uitgemaakte zaak.

 

1.Grondrechten

 

Recht op vrije meninguiting

De vrijheid van meningsuiting houdt het recht in om zonder voorafgaand verlof gedachten en/of gevoelens te openbaren. Dit recht ligt sinds 1983 vast in artikel 7 van de Nederlandse grondwet. Het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) garandeert eveneens de vrijheid van meningsuiting. In de Nederlandse wetgeving ontbreekt verdere beperking van dat recht. In het Europese verdrag wordt wel een beperking aangebracht namelijk dat “de vrijheid van meningsuiting aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties onderworpen kan worden die noodzakelijk zijn in een democratische samenleving.” Genoemde criteria kunnen zijn het voorkomen van wanordelijkheden, strafbare feiten, de goede naam en/of rechten van anderen. In het EVRM is de vrijheid van meningsuiting dus geen absoluut gegeven.

 

Recht om niet gediscrimineerd te worden

“Allen die zich in Nederland bevinden moeten in gelijke gevallen gelijk worden behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.” Zo luidt het eerste artikel van de grondwet. Het eerste artikel is in hoge mate symbolisch, je kan je er bij de rechter niet direct op beroepen. De mogelijkheden om dat te doen zijn verder uitgewerkt in andere wet- en regelgeving zoals het Wetboek van Strafrecht en Algemene Wet Gelijke Behandeling.

Het discriminatieverbod is eveneens vastgelegd in het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). Artikel 14: “Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.”

 

2.Juridische mogelijkheden

 

Er zijn verschillende juridische mogelijkheden als je meent dat je recht op non-discriminatie wordt overschreden door de vrijheid van meningsuiting. Eén van de juridische instrumenten is het strafrecht.

 

Wetboek van Strafrecht

-          Artikel 137 c WvS verbiedt het opzettelijk beledigen van mensen op grond van hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap. De opzet hoeft niet uitsluitend te blijken uit een specifieke motivatie, maar of het redelijk is dat op voorhand kan worden ingeschat dat dit als zodanig kan worden opgevat.

-          Artikel 137 d WvS verbiedt het aanzetten tot discriminatie of haat. Net als in het voorgaande lid, gaat het hier niet uitsluitend om de intentie haat te zaaien, maar ook om het ‘ uitlokken’ van haat.

-          Artikel 137e WvS verbiedt het openbaar maken van beledigende uitlatingen, verspreiding of het in voorraad hebben van voorwerpen met zodanige [discriminatoire] uitlatingen.

-          Artikel 266 WvS handelt over ‘eenvoudige’ belediging. Dit artikel kan ten laste worden gelegd wanneer niet te bewijzen is dat er sprake is van belediging wegens afkomst of geloofsovertuiging en ook als uitlatingen niet in het openbaar zijn gedaan.

 

Bovenstaande artikelen zijn handvatten als je aangifte van discriminatie of belediging wilt toen tegen politieke en/of publieke opiniemakers. Middels een aangifte verzoek je politie en justitie om een rechter te vragen hierover een uitspraak te doen.

 

3.De weging

 

De weging tussen de vrijheid van meningsuiting en het discriminatieverbod is een delicate en zelden een op voorhand uitgemaakte zaak

Regelmatig worden discussies gevoerd over de grensbepaling tussen vrijheid van meningsuiting en het discriminatieverbod. Slechts enkele daarvan zijn aan de rechter voorgelegd. Vaker wordt een moreel appèl gedaan op de voorstanders van vrije meningsuiting om niet nodeloos te kwetsen. Het is immers de vraag of je ‘fatsoensnormen’ kan of moet laten afdwingen door een rechtbank.

Toch is er wel enige jurisprudentie. Daaruit blijkt dat de context zeer bepalend is voor de uiteindelijke uitspraak.

 

- Vrijheid van meningsuiting en religieuze kwesties.

De afgelopen decennia ontstonden controverses omtrent uitspraken van religieuze leiders over homoseksualiteit. Er was grote tegenstand tegen de discriminatoire belediging van homoseksuelen door onder meer een imam en een predikant. Na aangifte en vervolging, sprak de rechter de predikant en imam vrij.

In de Nederlandse rechtspraak wordt veel waarde gehecht aan de vrijheid van godsdienst. Deze tendens is ook terug te zien in de jurisprudentie van de Commissie Gelijke Behandeling, waar mensen die zich beroepen op de vrijheid van godsdienst relatief vaak in het gelijk gesteld worden.

 

- Openbaarheidsvereiste

De strafrechtsartikelen 137 c, d, e stellen de voorwaarde dat de uitingen in het openbaar zijn gedaan. Mogelijk kwetsende of discriminerende uitspaken in gebedshuizen, als onderdeel van een preek of schriftlezing die in gebedshuizen vallen juridisch gezien niet per definitie in onder de noemer ‘openbaarheid’. Uitlatingen gedaan tijdens bijeenkomsten van bijvoorbeeld een politieke partij worden geacht openbaar te zijn als voor deze bijeenkomst ook media zijn uitgenodigd.

 

- Vrijheid van meningsuiting in het politieke discours

Volgens het democratisch principe moeten politici vrij zijn hun mening te uiten in politieke debatten. Hen geldt politieke onschendbaarheid voor wat hier binnen wordt besproken. Als dezelfde uitlatingen worden gedaan buiten de politieke arena is die onschendbaarheid niet van toepassing.

 

- Vrijheid van meningsuiting en kunstuitingen

Columnisten en kunstenaars zijn vrijer in het uiten van hun mening. Deze uitingen hebben vanuit hun aard een andere lading. Columnisten, politiek tekenaars en commentatoren zetten zaken op scherp, overdrijven en drijven de spot met maatschappelijke verschijnselen.

 

  • Zoeken

Naar boven